Bisdom Haarlem-Amsterdam










Delen:
meld deze pagina op Twitter meld deze pagina op Facebook
Volgen:
link naar de RSS Feed van de laatste nieuwsberichten volg Bisdom Haarlem-Amsterdam op Twitter volg Bisdom Haarlem-Amsterdam op Facebook

Geschiedenis 5

Mgr. F.J. van Vree, de eerste bisschop van Groot-Haarlem

mgr Franciscus Josefus van Vree De derde bis­schop van Haar­lem, de eerste na het herstel van de hiërarchie in 1853, was Fran­cis­cus Josefus van Vree.

Hij was geboren in Rhenoy, in de Betuwe, in 1807. Al snel na zijn pries­ter­wij­ding werd hij leraar in Katwijk, het klein­semi­narie van noor­de­lijk Neder­land. Van 1836 tot 1838 doceerde hij daar klassieke talen, vooral Latijn. Van 1838 tot 1842 was hij ook directeur. Toen werd Katwijk aan de paters Jezuïeten over­ge­dragen, en ‘omge­bouwd’ tot een gewoon college, voor alle katho­lie­ke jongens toe­gan­ke­lijk. Van Vree werd presi­dent van het groot­semi­narie Warmond, de enige pries­ter­oplei­ding in Noord Neder­land.

Een be­lang­rijk en invloedrijk man was hij toen: hij had een eigen maand­blad opgericht, De Katho­liek, en hij leidde en redi­geerde het. Zo oefende hij veel invloed uit. Hij werd ook veel geraadpleegd door de nuntius in Den Haag, die hoofd van de “Hollandse Missie” was: het Neder­land van boven de grote rivieren waar geen Apos­to­lische Vica­rissen waren, en waar men echt uitzag naar het herstel van het bis­schop­pe­lijk bestuur.

Vijf bis­dom­men, één wij­ding

Op 4 maart 1853 werd het bisdom Haar­lem herop­ge­richt, en F.J.van Vree werd tot bis­schop van Haar­lem benoemd. Op 22 april werd hij door Mgr.Belgrado, de nuntius, “in het bezit van zijn zetel gesteld”. De nuntius leidde hem naar de opge­stelde zetel in de St.Jozef­kerk in Haar­lem, die daar­mee tot ka­the­draal was verheven.

Op 15 mei werd Mgr. Van Vree door aarts­bis­schop Zwijsen in de semi­na­rie­ka­pel te Haaren bij Den Bosch gewijd. De enige bis­schops­wij­ding, die nodig was bij het herstel van de bis­schop­pe­lijke hiërarchie. Want de apos­to­lische vica­rissen van Roermond, van Den Bosch en van Breda, die nu zetelend bis­schop wer­den, waren in 1840 al tot bis­schop gewijd, en mgr. Zwijsen, vica­ris van Den Bosch, werd nu aarts­bis­schop van Utrecht, en admini­strator van Den Bosch. Hij bleef wonen in Huize Gerra, een villa halfweg tussen Den Bosch en Tilburg, genoemd naar Gerra, het bisdom ‘in partibus infidelium’ waar Zwijsen tot dan toe bis­schop van was.

De april­be­we­ging

Drie bis­schop­pen in het zui­den, één in het noor­den. Dat was al zo tot 1851, toen Mgr. Wijckersloot, de bis­schop van Curium, overleed. Hij zou onge­twij­feld door een nieuwe wij­bis­schop ver­vangen zijn. En voor de gewone man zou alles gewoon door­gaan zoals altijd. Zeker: er is enig kerkjuri­disch on­der­scheid tussen een zetelend bis­schop en een apos­to­lisch vica­ris, maar niemand merkt daar wat van.

Vanwaar dan al die commotie in april 1853? Pro­tes­tan­ten pro­tes­teer­den tegen de nieuwe rege­lingen van het bis­schop­pe­lijk bestuur. Adressen wer­den gericht aan de koning: Laat dit toch niet toe! Een groep pro­tes­tan­ten richtte zich recht­streeks tot de koning, en werd door hem ont­van­gen.

De minister­pre­si­dent, Johan Rudolf Thorbecke, had de koning geadviseerd te ant­woor­den: Er is in Neder­land sinds 1848 vrij­heid van vereni­ging, en de katho­lie­ken hebben daar gebruik van gemaakt. Maar de koning ant­woordde met wat alge­meen­he­den: “Deze dag heeft Neder­land en Oranje nader bijeen­ge­bracht”.

De rege­ring nam dat niet. De koning is onschend­baar, de ministers zijn verant­woor­de­lijk. Het kabinet wilde de toe­spraak van de koning niet voor zijn verant­woor­de­lijk­heid nemen en trad af.

Floris van Hall vormde een nieuw kabinet. Eerste daad: indie­ning van de wet op de kerk­ge­noot­schappen. Een wet om de katho­lie­ken onder de duim te hou­den. Meest be­lang­rijke punt: het pro­ces­sie­ver­bod. Waar het tot 1848 geen gewoonte was, mochten nu en in de toe­komst geen pro­ces­sies gehou­den wor­den. In Holland mocht het dus alleen in Laren, dat toen nog niet tot het bisdom Haar­lem hoorde.

Twee punten in de wet over de bis­schop­pen: zij mochten zich wel bis­schop van Utrecht, Haar­lem etc. noemen, maar kon­den daaraan geen rechten ontlenen over het bestuur van de stad. Alsof de dominee van Emmeloord zich ooit heer van Emmeloord zou kunnen noemen. Tweede punt: de rege­ring moest toestem­ming geven aan een bis­schop om zich in zijn stand­plaats te ves­tigen. Een stand­plaats moest “geschikt” bevon­den wor­den.

De bis­schop­pen op hun beurt deden geen enkele moeite de rege­ring te verzoeken hun zetel­plaats geschikt te verklaren. Ze lieten de zaak bewust op zijn beloop. Niets belette “bur­ger” J.P.van Vree zich in Haar­lem te ves­tigen. Niets belette die­zelfde bur­ger zich bis­schop van Haar­lem te noemen. Alleen op de brieven, die hij als bis­schop deed uit­gaan, liet hij Sassenheim als zijn woon­plaats aan­ge­ven. En de rege­ring verklaarde langzamer­hand min of meer eigener bewe­ging iedere plaats geschikt. In 1871 werd ook Haar­lem geschikt verklaard als vesti­gings­plaats voor de bis­schop van Haar­lem.

Van Vree toonde zich een krach­tig be­stuur­der. Zijn uit­ge­breide bisdom telde veel grote ste­den, met flinke aantallen katho­lie­ken.

Volgens de volk­stel­ling van 1848 telde Am­ster­dam 220.000 inwoners, van wie een kwart r.k. was. Den Haag 70.000 inwoners, 20.000 katho­liek. Leiden 40.000, 12.000 r.k. Haar­lem 25.000, 12.000 r.k. Dordt­recht 21.000, 3000 r.k. Delft 18.000, 7000 r.k., Middel­burg 16.000, 2000 r.k., Gouda 15.000, 5000 r.k., Schie­dam 13.000, 6000 r.k., Zaan­dam 12.000, 2000 r.k.

In de ste­den van Zuid-Holland had­den allerlei paters, nadat een groot deel van de wereldheren daar zich bij het Utrechtse schisma van 1723 van Rome had losgemaakt, de ziel­zorg onder de roomskatho­lie­ken over­ge­no­men.

Zij zou­den - in tegen­stel­ling tot wat in die tijd en ook nu nog in vele lan­den gewoonte was - hier nu ook eigen pa­ro­chies krijgen in de ste­den. Maar de preciese indeling in pa­ro­chies, en het oprichten van rede­lijk grote pa­ro­chies in de ver­schil­lende grotere ste­den, bracht vele moei­lijk­he­den mee. Met veel moeite, veel praten, veel regelen met geven en nemen, slaagde de bis­schop erin het bisdom in een aanvaard­baar aantal pa­ro­chies te ver­de­len.

Acht jaar heeft mgr. F.J. van Vree het bisdom Haar­lem bestuurd. In 1861 stierf hij plot­se­ling, nog maar 53 jaar oud.




Bisdom Haarlem - Amsterdam • Postbus 1053 • 2001 BB  Haarlem • (023) 511 26 00 • info@bisdomhaarlem-amsterdam.nlDisclaimerDeze website is gerealiseerd door iMoose