Papen
In historische en religieuze context verwijst “papen” naar rooms-katholieken, en de term kreeg vooral in protestantse gebieden een spottende of negatieve bijklank.
Oorsprong
- Het woord komt van “paap”, dat letterlijk paus of iemand die de paus volgt betekent.
- In de 16e en 17e eeuw, tijdens en na de Reformatie, werd het gebruikt door protestanten om katholieken aan te duiden, vaak met een negatieve of spotachtige connotatie.
Gebruik en betekenis
- Eenvoudige aanduiding: iemand die het katholieke geloof aanhangt, vooral een priester of gelovige die trouw is aan Rome.
- Scheldwoord: in protestantse geschriften en volksmond, om bijgeloof, overdadige rituelen of “pausendienst” te bespotten.
- Afgeleiden: woorden zoals “papenkool” of “paaps” verwijzen ook naar katholicisme of katholieke gebruiken.
Context
- In de Nederlandse Republiek (17e eeuw) werden katholieken vaak als “papen” aangeduid, soms zelfs wettelijk gediscrimineerd, omdat ze werden gezien als trouw aan een buitenlandse macht (de paus).
- Tegenwoordig wordt het woord meestal historisch of literair gebruikt en niet meer als dagelijkse scheldterm.
Kort samengevat: “papen” = katholieken (historisch gebruikt, vaak spottend door protestanten).
Deze katholieke woordenlijst is nog in ontwikkeling.
Aan de beschrijvingen wordt nog geschaafd.
© Copyright 2026 Bisdom Haarlem-Amsterdam