Bisdom Haarlem-Amsterdam









Pausboodschap voor de Wereldgebedsdag voor Roepingen

gepubliceerd: dinsdag, 14 april 2026

Op 16 maart 2026 ondertekende paus Leo XIV vanuit het Vati­caan zijn bood­schap voor de 63e Wereld­ge­beds­dag voor Roepingen, die we­reld­wijd gevierd wordt op de vierde zon­dag van Pasen - dit jaar zon­dag 26 april 2026, ook bekend als de Zondag van de Goede Herder.

De paus publi­ceerde de tekst enkele weken vooraf, zoals gebruike­lijk is, zodat pa­ro­chies, semi­na­ries, reli­gi­euze ge­meen­schappen en ge­zin­nen er ruim de tijd voor hebben om ze te lezen, te over­we­gen en in gebed te brengen. In deze bood­schap nodigt Leo XIV vooral jon­ge­ren en alle gelo­vi­gen uit om de roe­ping niet primair als een uiter­lijke keuze te zien, maar als een diepe, inner­lijke ontdek­king van Gods vrije gave die in stilte en gebed in het hart ontluikt.

Met een warme en con­tem­pla­tieve toon bena­drukt de paus dat elke roe­ping een weg van schoon­heid, ver­trouwen en rij­ping is, gewor­teld in een per­soon­lijke intimi­teit met Jezus, de Goede Herder.

Hier­on­der volgt een volle­dige Neder­landse werk­ver­ta­ling van de bood­schap van paus Leo XIV.

Wapen van paus Leo XIV

Bood­schap van Zijne Hei­lig­heid Paus Leo XIV
voor de 63e Wereld­ge­beds­dag
voor Roepingen

Vierde zon­dag van Pasen - 26 april 2026

De Inner­lijke Ontdek­king van Gods Gave

Lieve broe­ders en zusters, lieve jon­ge­ren!

Geleid en beschermd door de verrezen Jezus vieren wij op de vierde zon­dag van Pasen - ook wel “Zondag van de Goede Herder” genoemd - de 63e Wereld­ge­beds­dag voor Roepingen. Het is een genade­volle gelegen­heid om enkele over­we­gingen te delen over de inner­lijke dimensie van de roe­ping, begrepen als de ontdek­king van Gods vrije gave die opbloeit in de diepten van ons hart. Laten wij samen het wer­ke­lijk schone levenspad verkennen waarlangs de Herder ons leidt.

De weg van de schoon­heid

In het evan­ge­lie van Johannes beschrijft Jezus zich­zelf als de “goede her­der” (ὁ ποιμὴν ὁ καλός) (Joh 10,11). Deze uitdruk­king ver­wijst naar een her­der die volmaakt, authen­tiek en voor­beel­dig is, omdat hij bereid is zijn leven te geven voor zijn schapen, en zo Gods liefde open­baart. Hij is de Herder die ons tot Zich trekt, wiens blik laat zien dat het leven wer­ke­lijk mooi is wanneer men Hem volgt. Noch de ogen van het lichaam, noch esthe­tische gevoelig­he­den alleen volstaan om deze schoon­heid te herkennen; daarvoor zijn con­tem­pla­tie en inner­lijk­heid vereist. Alleen wie stil­staat, luistert, bidt en de blik van de Herder verwel­komt, kan met ver­trouwen zeggen: “Ik ver­trouw Hem; het leven met Hem kan wer­ke­lijk mooi zijn. Ik wil dit pad van schoon­heid bewan­de­len.” Het meest bui­ten­ge­wone is dat men, door Zijn discipel te wor­den, wer­ke­lijk “mooi” wordt; Zijn schoon­heid veran­dert ons. Zoals de theoloog Pavel Florenskij schreef, brengt ascese niet slechts een “goede” mens voort, maar een “mooie” mens.1 Meer dan goed­heid is het ken­mer­kende van de heilige immers de stralende gees­te­lij­ke schoon­heid die uit­straalt uit zijn of haar leven in Christus. Op deze wijze open­baart de chris­te­lijke roe­ping zich in al haar diepte als een deelname aan het leven van Jezus, door deel te hebben aan Zijn zen­ding en Zijn schoon­heid te weer­spie­gelen.

Deze inner­lijke erva­ring van leven, geloof en bete­ke­nis was ook die van de heilige Au­gus­ti­nus, die in het derde boek van de Belij­denissen, terwijl hij de zon­den en dwalingen van zijn jeugd erkent, God herkent als “inner­lijker dan mijn meest inner­lijke deel”.2 Meer dan zelfkennis ontdekt Au­gus­ti­nus de schoon­heid van het god­de­lijke licht dat hem in de duisternis leidt. Door Gods aanwe­zig­heid te ervaren in de diepste schuil­hoeken van zijn ziel, begreep hij het belang van de zorg voor het inner­lijke leven als een plaats van ont­moe­ting met Christus, die de weg is om de schoon­heid en goed­heid van God in ons eigen leven te ervaren.

Zo’n relatie is gebaseerd op gebed en stilte, en wanneer zij wordt geculti­veerd, opent zij ons om de gave van de roe­ping te ont­van­gen en er actief op te ant­woor­den. Zij is nooit een opgelegde plicht of een model waaraan men zich slechts aanpast; integen­deel, het is een avontuur van liefde en geluk. Op basis van de zorg voor het inner­lijke leven moeten wij daarom dringend ons roe­pingen­pas­to­raat her­ne­men en onze inzet voor evangeli­sa­tie vernieuwen.

In dit licht nodig ik ieder­een uit - in ge­zin­nen, pa­ro­chies en reli­gi­euze ge­meen­schappen, alsook bis­schop­pen, pries­ters, diakens, cate­chisten, opvoe­ders en alle gelo­vi­gen - zich met meer inzet in te zetten om de omstan­dig­he­den te scheppen die toelaten dat deze gave wordt omarmd, gevoed, beschermd en begeleid, zodat zij over­vloe­dige vrucht kan dragen. Alleen wanneer onze omge­ving wordt verlicht door levend geloof, gedragen door voort­du­rend gebed en verrijkt door broe­der­lijke be­ge­lei­ding, kan Gods roep opbloeien en rijpen, en wor­den tot een pad van geluk en heil voor de personen en voor de wereld. Door het pad te bewan­de­len dat Jezus, de Goede Herder, ons toont, leren wij ons­zelf en de God die ons roept dieper kennen.

Weder­zijds bewust­zijn

“De Heer van het leven kent ons en verlicht onze harten met Zijn liefde­volle blik.”3 Inder­daad begint elke roe­ping met het bewust­zijn en de erva­ring van een God die liefde is (vgl. 1 Joh 4,16). Hij kent ons ten diepste; Hij heeft de haren van ons hoofd geteld (vgl. Mt 10,30) en heeft voor elke persoon een unieke weg van hei­lig­heid en dienst voor­zien. Dit bewust­zijn moet echter altijd weder­zijds zijn. Wij wor­den uit­ge­no­digd God te leren kennen door gebed, het luis­te­ren naar het Woord, de sacra­menten, het leven van de Kerk en de werken van naasten­liefde voor onze broe­ders en zusters. Zoals de jonge Samuel, die on­ver­wacht de stem van de Heer hoorde in de nacht en leerde die te herkennen met de hulp van Eli (vgl. 1 Sam 3,1-10), zo moeten ook wij een ruimte van inner­lijke stilte scheppen om te horen wat de Heer voor ons geluk verlangt. Het gaat hier niet om verheven ideeën of geleerde kennis, maar om een per­soon­lijke ont­moe­ting die het leven veran­dert.4 God woont in ons hart. Een roe­ping houdt een intieme dialoog in met Degene die roept en ons uitno­digt te ant­woor­den, ondanks het oor­ver­do­ven­de lawaai van de wereld, met ware vreugde en edel­moe­dig­heid.

Noli foras ire, in te ipsum redi, in interiore homine habitat veritas - “Ga niet naar buiten. Keer in uzelf terug. De waar­heid woont in de inner­lijke mens.”5 Opnieuw herinnert de heilige Au­gus­ti­nus ons eraan hoe be­lang­rijk het is te leren stil te staan en ruimte te maken voor inner­lijke stilte, opdat wij de stem van Jezus Christus mogen horen.

Lieve jon­ge­ren, luister naar deze stem! Luister naar de stem van de Heer die u uitno­digt tot een vol en vrucht­baar leven, die u roept om uw talenten in te zetten (vgl. Mt 25,14-30) en uw beper­kingen en zwak­he­den te verenigen met het glorieuze kruis van Christus. Neem dan tijd voor eucha­ris­ti­sche aanbid­ding; overweeg trouw het woord van God, opdat gij het elke dag in praktijk brengt; en neem actief en voluit deel aan het sacra­men­tele en ker­ke­lijke leven van de Kerk. Op deze wijze zult gij de Heer leren kennen. Door de intimi­teit van Zijn vriend­schap zult gij ont­dek­ken hoe gij u kunt geven, hetzij in het huwe­lijk, het pries­ter­schap, het per­ma­nent diaconaat of het gewijde leven. Elke roe­ping is een onmete­lijk geschenk voor de Kerk en voor hen die haar met vreugde ont­van­gen. De Heer kennen betekent bovenal leren zich aan Hem en aan Zijn voor­zienig­heid toe te ver­trouwen, die in elke roe­ping over­vloe­dig is.

Vertrouwen

Kennis leidt tot ver­trouwen, een gezind­heid die voort­komt uit het geloof en essentieel is zowel om de eigen roe­ping te verwel­ko­men als om erin te volhar­den. Het leven open­baart zich immers als een voort­du­rende daad van ver­trouwen in de Heer en van overgave aan Hem, zelfs wanneer Zijn plannen onze eigen plannen verstoren.

Laten wij kijken naar de heilige Jozef, die, ondanks de mysterieuze en on­ver­wachte zwan­ger­schap van de Maagd, het god­de­lijke bericht ver­trouwde dat in een droom was geopen­baard en Maria en haar Kind met een ge­hoor­zaam hart ver­wel­kom­de (vgl. Mt 1,18-25; 2,13-15). Jozef van Nazareth is een voor­beeld van volle­dig ver­trouwen in Gods plannen. Hij ver­trouwde zelfs wanneer alles rondom hem in duisternis en onzeker­heid gehuld leek, wanneer de gebeur­te­nissen af te wijken leken van zijn eigen plannen. Hij ver­trouwde en gaf zich over aan God, overtuigd van de goed­heid en trouw van de Heer. “In elke situatie sprak Jozef zijn eigen ‘fiat’ uit, zoals dat van Maria bij de Annunciatie en dat van Jezus in de hof van Getsemane.”6

Zoals het Jubel­jaar van de Hoop ons heeft herinnerd, is het nood­za­ke­lijk een vast en standvas­tig ver­trouwen in Gods beloften te cultiveren, zon­der ons ooit over te geven aan wanhoop. Wij moeten angsten en twijfels over­win­nen, overtuigd dat de Heer van de ge­schie­de­nis - zowel van de wereld als van ons per­soon­lijk verhaal - verrezen is. Hij verlaat ons niet in onze donkerste uren, maar komt om elke schaduw te ver­drij­ven met Zijn licht. Door het licht en de kracht van Zijn Geest kunnen wij, zelfs te mid­den van be­proe­vingen en crises, onze roe­ping zien groeien en rijpen, zodat zij steeds meer de schoon­heid weer­spie­gelt van Degene die ons heeft ge­roe­pen - een schoon­heid die gevormd is door trouw en ver­trouwen, ondanks onze won­den en misluk­kingen.

Rijping

Inder­daad is een roe­ping geen vast punt, maar een dyna­misch proces van rij­ping, gedragen door de intimi­teit met onze Heer. In zijn roe­ping groeien betekent: met Jezus zijn, de Heilige Geest laten werken in ons hart en in de omstan­dig­he­den van het leven, en alles opnieuw in­ter­pre­te­ren in het licht van deze gave.

Zoals de wijnstok en de ranken (vgl. Joh 15,1-8), moet ons hele leven gewor­teld zijn in een sterke en vitale band met de Heer, opdat wij met meer heel­heid van hart op zijn roep kunnen ant­woor­den, door onze be­proe­vingen en de nood­za­ke­lijke “snoeiingen” heen. De “plaatsen” waar Gods wil zich het meest open­baart en waar wij zijn onein­dige liefde ervaren, zijn vaak de authen­tieke, broe­der­lijke ban­den die wij gedurende ons leven aan­gaan. Hoe kost­baar is het om een ware gees­te­lij­ke bege­lei­der te hebben die ons begeleidt bij de ontdek­king en de groei van onze roe­ping! Hoe be­lang­rijk is het om de inge­vingen van de Heilige Geest te on­der­schei­den en te toetsen, opdat een roe­ping in al haar schoon­heid tot volle wasdom kan komen!

Een roe­ping is daarom geen on­mid­del­lijk bezit - iets wat “eenmaal en voor altijd gegeven” is. Integen­deel, zij is een weg die zich ontvouwt, net zoals het leven zelf. De gave die wij hebben ont­van­gen, moet niet alleen beschermd, maar ook gevoed wor­den door een dage­lijkse relatie met God, opdat zij kan groeien en vrucht dragen. “Dit is heil­zaam, omdat het ons hele leven in relatie plaatst met de God die ons liefheeft. Het doet ons beseffen dat niets het re­sul­taat is van louter toeval, maar dat alles in ons leven een manier kan wor­den om te ant­woor­den op de Heer, die een won­der­baar­lijk plan voor ons heeft.”7

Lieve broe­ders en zusters, lieve jon­ge­ren, ik spoor u aan om uw per­soon­lijke relatie met God te cultiveren door dage­lijkse gebed en over­we­ging van het Woord. Pauzeer, luister en ver­trouw uzelf toe. Op deze wijze zal de gave van uw roe­ping rijpen, u geluk brengen en over­vloe­dige vrucht dragen voor de Kerk en voor de wereld.

Moge de Maagd Maria, model van de inner­lijke aanvaar­ding van god­de­lijke gaven en des­kun­dige in het bid­dend luis­te­ren, u altijd be­ge­lei­den op deze weg!

Vanuit het Vati­caan, 16 maart 2026

+ Paus Leo XIV

 

_________________________

Voetnoten

  1. “De ascese produ­ceert niet een ‘goede’ of ‘vrien­de­lijke’ mens, maar een mooie mens. Het ken­mer­kende van de heilige asceten is niet hun ‘vrien­de­lijk­heid’ - die zelfs mensen van het vlees, en zeer zon­dige mensen, kunnen bezitten - maar de gees­te­lij­ke schoon­heid, de verblin­dende schoon­heid van een stralende, lichtdragende persoon, een schoon­heid die voor de mens van het vlees vol­ko­men onbereik­baar is.” (P. Florenskij, De zuil en grond­slag van de waar­heid, Princeton 1997, p. 72).
  2. Heilige Au­gus­ti­nus, Belij­denissen, III, 6, 11: CSEL 33, 53.
  3. Apos­to­lische Brief Een trouw die de toe­komst voort­brengt (8 de­cem­ber 2025), nr. 5.
  4. vgl. Bene­dic­tus XVI, En­cy­cliek Deus Caritas Est (25 de­cem­ber 2005), nr. 1.
  5. Heilige Au­gus­ti­nus, Over de ware gods­dienst, XXXIX, 72: CCSL 32, 234.
  6. Fran­cis­cus, Apos­to­lische Brief Patris Corde (8 de­cem­ber 2020), nr. 3.
  7. Fran­cis­cus, Post-synodale Apos­to­lische Exhor­ta­tie Christus Vivit (25 maart 2019), nr. 248.

 

(dit is een werk­ver­ta­ling van de Engelse bood­schap)




Bisdom Haarlem - Amsterdam • Postbus 1053 • 2001 BB  Haarlem • (023) 511 26 00 • info@bisdomhaarlem-amsterdam.nlDisclaimerDeze website is gerealiseerd door iMoose