

Onderweg naar het beloofde land
gepubliceerd: dinsdag, 11 mei 2010
Het is een woelige tijd voor kerk en wereld. Het schip van de kerk kraakt en kreunt onder zwakheid en zonde van enkele van haar eigen opvarenden. Het is niet nieuw. Het heilsplan van God is altijd bedreigd geweest van binnenuit en van buitenaf. Christus zelf werd veroordeeld en gedood door de machthebbers van zijn tijd, maar Hij moest ook lafheid, verraad en verloochening ervaren van zijn eigen volgelingen. En zo is het gebleven, 2000 jaar lang. Juist in deze tijd is het goed te beseffen wat er allemaal al gebeurd is, en hoe de Heer zijn volk toch trouw bleef.
Van buitenaf werd de jonge kerk al meteen wreed vervolgd door de Romeinse keizers. Later trok de opkomende Islam tegen haar ten strijde, vernietigde haar in Noord-Afrika en in het Midden-Oosten, en stond in de zeventiende eeuw voor de poorten van Wenen. Tijdens de Franse Revolutie werden vrijwel alle priesters in Frankrijk gevangengezet, gedood of moesten vluchten. Op het altaar van de Notre Dame in Parijs werd een publieke vrouw neergezet en heiligschennend aanbeden als godin van de rede. In de vorige eeuw probeerden een agressief atheïsme en communisme het geloof in God en Christus uit te roeien in de halve wereld. In Tsjechoslowakije werden in 1956 in één nacht alle priesters en religieuzen in het hele land opgepakt en naar concentratie kampen vervoerd. Uit alles is de kerk toch steeds weer opgestaan, en het volk is verder getrokken. Ook nu nog worden miljoenen christenen wereldwijd vervolgd. Ik heb er de vorige keer over geschreven.
Maar ook van binnenuit is er altijd zonde en verval geweest. Al in de eerste eeuwen raakte de kerk verstrikt in een felle interne geloofsstrijd, met veel geweld. Rond het jaar duizend brak de christenheid door kleinmenselijke machtspolitiek uiteen in een Oosterse en Westerse Kerk. In de dertiende eeuw ging zij bijna ten onder door verwereldlijking en hebzucht van haar eigen herders. In de zestiende eeuw werd het Lichaam van Christus in het Westen verscheurd door wrede godsdienstoorlogen en onderlinge vervolging. Een boodschap van geweldloosheid, vergeving en liefde moest het keer op keer afleggen tegen zwakheid en zonde van sommigen van haar eigen aanhangers. Maar toch heeft de Geest van Christus haar nooit verlaten. Hij blijft zijn volk trouw, ook al is het ontrouw. De kerk blijft zijn Mystieke Lichaam, ook al is het gewond. In haar blijft Hij redding en vergeving schenken. Alle eeuwen door heeft zij ook Gods Woord en Wijsheid bewaard en uitgedragen. Alle eeuwen door heeft zij talloze heiligen voortgebracht. Alle eeuwen door hebben ook honderdduizenden priesters, religieuzen en leken in grote delen van de wereld de zorg op zich genomen voor zieken en melaatsen, voor weduwen en wezen, en vrijwel al het onderwijs verzorgd. Tot nu toe. Ook dat hoort bij de realiteit van onze Kerk.
En hier zijn we dan na 2000 jaar. Na een periode van enorme bloei van bijna 100 jaar, vanaf 1850, waarin de Nederlandse kerk vele duizenden missionarissen uitzond over de hele wereld en 90% van alle kerken in ons bisdom werden gebouwd, begon na de Tweede Wereldoorlog de vlam te kwijnen. Het bouwwerk stond nog in volle glorie, maar het was van binnen broos geworden. Het vuur leek eruit. Het concilie wilde nieuw elan brengen. Het was zeker nodig, maar ook dat kon de neergang niet stoppen. We kwamen in een tijdperk van geloofsafval en polarisatie. En nu beleven we het einde van ook dit tijdperk. De crisis van deze dagen beschouw ik dan ook niet alleen als een beproeving, maar ook als een kans, als een nieuw begin. Je kunt niet goed verder als je nog onverwerkte schuld met je meedraagt. Dat weten we ook van onszelf. Als je een donkere plek hebt in je hart, waar niemand bij mag, zelfs O.L. Heer niet, dan verlamt het je hele wezen. Het moet eruit. Dat geldt ook voor de kerk. Deze tijd vraagt van haar, van priesters en gelovigen, ook een ja in verdere moedige stappen naar een vuriger geloof, een heiliger leven, naar verzoening en eenheid, allereerst tussen christenen onderling. Verschillen zijn er en kunnen we niet negeren, zonder onrecht te doen aan de integriteit van kerk en gelovige. Maar ze verhinderen ons nergens om samen op te trekken. Dit jaar vieren we Pasen in Oost en West op dezelfde datum. Maar dat is een uitzondering. Meestal zijn de oriëntaalse en orthodoxe kerken een of twee weken later. Dat gaat terug op oude strijd over kalenders en stand van de sterren, maar bovenal op eigen gelijk. Het is een nutteloze verdeeldheid die het hart van Christus verwondt. Als het niet anders kan, vind ik dat wij als westerse christenheid moeten buigen, en ons aansluiten bij de oosterse datum. Het zou een concreet teken van verzoening zijn.
Dit is geen tijd van afwachten, van voorzichtige diplomatie of naïeve onbekommerdheid. Niet voor kerk en christenheid, maar ook niet voor de mensheid als geheel. De problemen en gevaren zijn te groot voor onverschilligheid. Problemen in de natuur, in economie en politiek, in het morele en geestelijk leven van mensen. De Heer wil ons ook in al deze concrete dingen tegemoet komen door de kracht van zijn Geest en bescherming van Zijn en onze Moeder. Maar daar is een eerste stap van ons nodig. We staan op de drempel van een nieuw tijdperk. De eerste zwaluwen zijn al zichtbaar. Als de mensheid bereid is tot ommekeer en verandering van leven, dan zullen we Gods wonderen zien. Als we het niet doen, dan zal de omwenteling toch komen, maar doorheen veel strijd en pijn. Hoe dan ook, een nieuwe tijd gaat komen. Vele serieuze profetische stemmen kondigen het aan. En daarbovenuit, voor ons allen, voor ieder die zijn hoop op Christus stelt, is er de belofte van opstanding tot onvergankelijk leven en onvatbaar geluk in Gods eeuwig koninkrijk. Moge die belofte ons in deze dagen vreugde geven, en de vlam van geloof, hoop en liefde in ons aanwakkeren.

+ Mgr. dr. Jozef M. Punt
Bisschop van Bisdom Haarlem-Amsterdam